U bent hier : Onthaal » Ontspannen in Schaarbeek » Patrimonium en toerisme » Folklore » Ezel
Ezel
Agenda
Gemeentediensten
- Dienst Stedenbouw - Leefmilieu
Adres: Place Colignon \ Colignonplein
Telefoon: 02/244.72.04
E-mail: stedenbouw@schaarbeek.irisnet.be
Al in de tijd van de kruistochten was Schaarbeek befaamd om het fokken van ezels (in 1786 werden er 1.158 geteld).
In het dorp woonden vroeger veel land- en tuinbouwers die hun producten op de markt in Brussel verkochten. Sinds 1136 hadden de Schaarbeekse molenaars de toestemming verkregen van de hertog van Brabant om Brussel binnen te gaan met ezels die beladen waren met zakken bloem om de stad te bevoorraden.
Later verliet elke ochtend een karavaan zwaarbeladen ezeltjes Schaarbeek om via de Ezelsweg - de huidige Josaphatstraat - naar de markt van Brussel te trekken. Wanneer de Brusselse huisvrouwen de ezels zagen aankomen, riepen ze uit: "De ezels van Schaarbeek zijn daar!"
Door de ezeldrijvers en hun dieren met elkaar te vereenzelvigen, kregen de Schaarbekenaren uiteindelijk de spotnaam ezels.
En vanaf toen was Schaarbeek 'de Ezelstad'.
In detail ...
Al zeer vroeg, vanaf 1120, werd de ezel uit het Verre Oosten geassocieerd met Schaarbeek. De naam van de gemeente komt van scaren
Illustratie: Uitzicht vanaf het dorp Schaarbeek naar M. Gelissen, lithografie van Ambroise Jobard, collectie L. Verreydt
's Ochtends kon je vaak een karavaan gezadelde ezels beladen met zware manden Schaarbeek zien verlaten via de ezelswegh (de naam duikt vanaf 1277 op) - de huidige Josaphatstraat. Ze trokken naar de markt van Brussel en passeerden de vroegere stadswal langs de Schaarbeekse Poort. De hoeven van de ezels weerklonken in de vroege ochtend op de stenen van de Koningsstraat. De Brusselaars werden gewekt door het ochtendlijke lawaai en riepen dan met een zweem van minachting:"De ezels van Schaarbeek zijn daar." Door de ezeldrijvers en hun dieren met elkaar te vereenzelvigen, kregen de Schaarbekenaren de spotnaam "ezels" omdat men ze altijd samen zag met het lastdier dat later hun embleem zou worden.
Sindsdien is Schaarbeek in Brabant de Ezelstad. De inwoners leken weinig aanstoot te nemen aan de weinig flatterende vergelijking met deze nederige viervoeter. Meer nog, ze waren er zelfs trots op, net zoals de geuzen in de tijd van de Spaanse inquisitie.
Het verhaal wil dat een Antwerpse wever die de deken van zijn gilde voor ezel uitgescholden had, een bedevaart naar de Sint-Servaaskerk van Schaarbeek in Brabant moest maken, "omdat hij in Cola ire sijnde, sijne dekens Esels genoemt hadde". Dat was geen alleenstaand geval.
Vandaag worden enkel nog de laatste rijen van sommige klassen bevolkt door een paar ezels, want is Schaarbeek ook niet de Scholenstad?
De schrijver Goyers vertelt dat dommeriken vroeger studenten van de universiteit van Schaarbeek genoemd werden. De ezel is een intelligent en intuïtief dier (hij stoot zich nooit twee keer aan dezelfde steen) en ook het symbool van de domheid, hoewel we niet weten waarom. Deze zeer oude opvatting was sterk verspreid onder de Grieken.
Zou het komen door de onsierlijke vormen van het dier, zijn trage gang, zijn grillige koppigheid, zijn meer dan filosofisch geduld als hij geslagen wordt, de wanklank van zijn stem of zijn oren die zelfs de meest geslaagde fysionomie om zeep zouden helpen?
Legendes zijn hardnekkig, de ezel kan ervan meespreken want sinds jaar en dag is hij het symbool van domheid en koppigheid. Vroeger kregen slechte leerlingen ezelsoren op hun hoofd. Vandaag zijn er maar weinig stadskinderen die een ezel van dichtbij gezien hebben maar ze zijn wel allemaal overtuigd van zijn domheid. Wat ze niet weten, is dat dit moedige en dappere dier, lang voor het paard, een harde werker was die de mens hielp de wereld te veroveren.
Het temmen van de ezel gaat terug tot zowat 4.000 jaar voor onze jaartelling. In Europa deed de tamme ezel zowat tweeduizend jaar voor Christus zijn intrede, de Etrusken brachten hem wellicht via Klein-Azië naar Italië. In Griekenland werd de ezel vanuit Syrië via de zee ingevoerd. Al snel viel hij op door zijn werk in de wijngaarden en hij kende een enorm succes in het Middellandse Zeegebied waar we hem vandaag nog vaak aantreffen, zowel in Turkije als in de Maghreb of Egypte. De ezel, de eeuwige emigrant, trok vervolgens richting Noorden in het kielzog van de Romeinse legioenen waarvoor hij de bagage droeg. In Frankrijk en Duitsland werd hij gebruikt in de wijngaarden. Hij stak het kanaal over met de Romeinse galeien en we vinden hem tot in Ierland terug.
In onze streken werd de ezel beschouwd als het paard van de arme man. Oorlog voeren en jagen deed
beka, wat betekent het gehucht aan de Maalbeek (de beek waaraan de molens gelegen waren - in de middeleeuwen waren er zeven - die het graan maalden in de vallei van de molenaars en de zestig meren).
Asinus werd niet meegebracht van de kruistochten zoals men lang dacht: "Uit een oorkonde uit 1138 blijkt dat hij veelal gebruikt werd om de graanzakken naar de molen te dragen. De hertog van Brabant, Godfried, kreeg medelijden met de molenaars van Schaarbeek en verleende hen in 1136 het privilegie om hun zakken op ezels te vervoeren zodat ze ze niet langer op hun schouders hoefden te dragen.
De tuinbouwers van Schaarbeek en de molenaars van de Maalbeek bleven tot in de XIXe eeuw ezels gebruiken om hun groenten naar de markt van Brussel te vervoeren en om de Brusselse bakkerijen van bloem te voorzien. Een bijzonderheid voor Schaarbeek en Evere en een gewoonte die aanleiding gaf tot heel wat grapjes." 1
De Schaarbekenaren van weleer bouwden een degelijke reputatie op door het kweken van de beroemde Schaarbeekse krieken; de zure smaak droeg bij tot het succes van de typisch Brusselse, zurige kriekenlambiek.
Om hun geoogste producten naar Brussel te vervoeren, gebruikten de landbouwers net zoals de molenaars de ezel als lastdier. Al zeer vroeg stond Schaarbeek bekend om het fokken van ezels.
's Ochtends kon je vaak een karavaan gezadelde ezels beladen met zware manden Schaarbeek zien verlaten via de ezelswegh (de naam duikt vanaf 1277 op) - de huidige Josaphatstraat. Ze trokken naar de markt van Brussel en passeerden de vroegere stadswal langs de Schaarbeekse Poort. De hoeven van de ezels weerklonken in de vroege ochtend op de stenen van de Koningsstraat. De Brusselaars werden gewekt door het ochtendlijke lawaai en riepen dan met een zweem van minachting:"De ezels van Schaarbeek zijn daar." Door de ezeldrijvers en hun dieren met elkaar te vereenzelvigen, kregen de Schaarbekenaren de spotnaam "ezels" omdat men ze altijd samen zag met het lastdier dat later hun embleem zou worden.
Sindsdien is Schaarbeek in Brabant de Ezelstad. De inwoners leken weinig aanstoot te nemen aan de weinig flatterende vergelijking met deze nederige viervoeter. Meer nog, ze waren er zelfs trots op, net zoals de geuzen in de tijd van de Spaanse inquisitie.
Het verhaal wil dat een Antwerpse wever die de deken van zijn gilde voor ezel uitgescholden had, een bedevaart naar de Sint-Servaaskerk van Schaarbeek in Brabant moest maken, "omdat hij in Cola ire sijnde, sijne dekens Esels genoemt hadde". Dat was geen alleenstaand geval.
Vandaag worden enkel nog de laatste rijen van sommige klassen bevolkt door een paar ezels, want is Schaarbeek ook niet de Scholenstad?
De schrijver Goyers vertelt dat dommeriken vroeger studenten van de universiteit van Schaarbeek genoemd werden. De ezel is een intelligent en intuïtief dier (hij stoot zich nooit twee keer aan dezelfde steen) en ook het symbool van de domheid, hoewel we niet weten waarom. Deze zeer oude opvatting was sterk verspreid onder de Grieken.
Zou het komen door de onsierlijke vormen van het dier, zijn trage gang, zijn grillige koppigheid, zijn meer dan filosofisch geduld als hij geslagen wordt, de wanklank van zijn stem of zijn oren die zelfs de meest geslaagde fysionomie om zeep zouden helpen?
Legendes zijn hardnekkig, de ezel kan ervan meespreken want sinds jaar en dag is hij het symbool van domheid en koppigheid. Vroeger kregen slechte leerlingen ezelsoren op hun hoofd. Vandaag zijn er maar weinig stadskinderen die een ezel van dichtbij gezien hebben maar ze zijn wel allemaal overtuigd van zijn domheid. Wat ze niet weten, is dat dit moedige en dappere dier, lang voor het paard, een harde werker was die de mens hielp de wereld te veroveren.
Het temmen van de ezel gaat terug tot zowat 4.000 jaar voor onze jaartelling. In Europa deed de tamme ezel zowat tweeduizend jaar voor Christus zijn intrede, de Etrusken brachten hem wellicht via Klein-Azië naar Italië. In Griekenland werd de ezel vanuit Syrië via de zee ingevoerd. Al snel viel hij op door zijn werk in de wijngaarden en hij kende een enorm succes in het Middellandse Zeegebied waar we hem vandaag nog vaak aantreffen, zowel in Turkije als in de Maghreb of Egypte. De ezel, de eeuwige emigrant, trok vervolgens richting Noorden in het kielzog van de Romeinse legioenen waarvoor hij de bagage droeg. In Frankrijk en Duitsland werd hij gebruikt in de wijngaarden. Hij stak het kanaal over met de Romeinse galeien en we vinden hem tot in Ierland terug.
In onze streken werd de ezel beschouwd als het paard van de arme man. Oorlog voeren en jagen deed
de heer immers te paard en de ezel was een grote hulp in de landbouwbedrijven. Ten tijde van de industriële revolutie was hij niet langer nuttig en kreeg hij de rol van gezelschapsdier. De ezel is niet tevreden met zijn status van symbool van domheid en bijna overal ter wereld is hij het embleem voor duisterheid en zelfs satanische strekkingen. Hij wordt vervloekt zoals alle verworpenen der aarde waarvan hij het lot deelt en de situatie symboliseert. In India dient hij enkel als rijdier voor rampzalige goden. In Egypte is de rode ezel een van de gevaarlijkste wezens die de ziel ontmoet op zijn post mortem-reis.
De ezelin is daarentegen duidelijk heilzaam. Ze symboliseert de kennis van de traditionele wetenschap, compleet het tegenovergestelde dus van het aanvankelijke symbool. De satanische ezel moet plaats maken voor de ezelin van de kennis. De ezel als satan, als beest, verwijst naar de sekse, het libido en het instinctieve element van de mens.
De ezelin daarentegen symboliseert eenvoud, armoede, geduld en moed. Jozef neemt Maria en Jesus mee naar Egypte op d rug van een ezelin om te ontkomen aan de vervolgingen van Herodes. Voor zijn lijden, maakt Christus triomferend zijn intocht in Jeruzalem op een ezelin.
Het idee van eenvoud en armoede lijkt het best te passen bij de ezel als symbool van Schaarbeek. "Gelukkig de eenvoudige lieden want ...". Dit is een vrijwel evidente verwijzing naar de armoede van de Brabantse boeren van Schaarbeek, van de tuinbouwers, de molenaars, de landbouwers, de kinkels die meer leken op Sancho Pança dan op de droevig kijkende ruiter op zijn ellendige knol, de karikatuur van de gevallen aristocraat, of op de 'burgerlijke franskiljons', de arroganten van de hoofdstad, 'de Brusseleers en de kiekefretters' die enkel maar verachting hadden voor het Brabantse dialect en het belachelijke voorkomen van Lamme Goedzak of Pogge den Boer, symboolfiguren voor het kleine volk van boerenpummels dat zich op een ezel verplaatste. "Je moet begrijpen Sancho, dat er een zekere afstand moet blijven bestaan tussen meester en dienaar, tussen heer en lakei, [...] tussen ruiter en stalknecht." Daarom ook wellicht dat de Amerikaanse democraten, de belangenverdedigers van de nederigste bevolkingsgroepen en de arbeidersklassen, de ezel als embleem gekozen hebben. Toen generaal Eisenhower, de bevrijder van Brussel, met veel vertoon gevierd werd op het marktplein van Schaarbeek in 1945 zag hij een ezel in de kleuren van Schaarbeek voorbijgaan. Hij protesteerde:"Ik ben geen democraat maar een republikein!". Hij kon er hartelijk om lachen toen men hem vertelde dat dat niet de reden was voor de aanwezigheid van langoor.
In 1786 telde men 982 ezels voor 1.158 Schaarbekenaren, van wie 389 mannen, 432 vrouwen en 337 kinderen. In de Schaarbeekse cafés werd zelfs gefluisterd dat er op een bepaald moment meer ezels in de Maalbeekvallei waren dan zielen in de Sint-Servaasparochie. Dat was in de tijd van Pogge den Boer die zich, net zoals Sancho of Ali Baba, nooit zonder zijn ezel verplaatste.
In 1795 preciseerde burgemeester Geefs in zijn redevoering tot de gouverneur ter gelegenheid van de emancipatie van het dorp dat nu gemeente geworden was: "Schaarbeek heeft weinig inwoners en is uitsluitend agrarisch."
De aanwezigheid van de ezel is ook bewezen door volksevenementen zoals de ezelkermis, waarbij de inwoners aan ezelkoersen deelnamen. Deze koersen werden in 1830 afgeschaft omdat ze te veel opstootjes veroorzaakten. De Brabander is al even warmbloedig als de ezel, zijn kompaan in de ellende.
Tijdens het keizerrijk vond men een andere manier om dit nederige en nuttige dier te benutten. In die tijd werd de Maalbeekvallei nog beschouwd als de gezondste streek van de Brusselse regio en dus de verblijfsplek bij uitstek. Vroeger had men al eens tevergeefs geprobeerd een mirakelwijn te maken die alle kwalen moest genezen en had men op de hellingen van de Maalbeek een afschuwelijk zure troep geproduceerd, nu stortte men zich op ezelinnenmelk die goed zou zijn voor schitterende kuren. Van alle soorten dierenmelk staat ezelinnenmelk qua samenstelling het dichtste bij de melk van de vrouw. In die tijd gold ezelinnenmelk als een onfeilbare remedie voor borstziekten. We weten niet of deze nieuwe kuur de verwachte resultaten gaf. In een brochure uit 1810 6 staat dat "de Schaarbeekse Poort enkel nog gebruikt werd om groenten naar de stad te brengen, groenten die vooral in Schaarbeek gekweekt werden." Nog altijd volgens Wauters had Schaarbeek in 1846 nog een oppervlakte van 883 hectare, waarvan 322 hectare bebouwd was met graangewassen, 20 hectare met industriële planten, 188 hectare met wortels en veevoeder, 63 hectare weiden, 89 hectare moestuinen, 6 hectare siertuinen, 3 hectare braakland en 3 hectare diverse bebouwingen, goed voor 694 verbouwde hectare op een totaal van 883 hectare. Graangewassen overheersten en we kunnen vermoeden dat de weiden en de veevoeders voor het fokken van ezels bestemd waren.
Zoals we zagen, kende de symboliek van de ezel een omwenteling, maar ook het lot van Schaarbeek onderging een radicale metamorfose. Voor het een 'moderne stad' werd volgens Louis Bertrand en opgeslokt werd door 'La Ville tentaculaire' (De stad die ongebreideld uitbreidt) van Verhaeren en voor het van Bruxella Brussel geworden was, of Brüsel, zoals François Schuiten het noemt in zijn Duistere Steden, was Schaarbeek niet meer dan een verloren stadje op het mooie Brabantse platteland dat bezongen werd door de dichter Hauwaerts in de XVIe eeuw.
In zijn voorwoord van La naissance d'une ville, Schaerbeek depuis 50 ans (De geboorte van een stad, 50 jaar Schaarbeek) 7, schreef Louis Bertrand: "De voorbije jaren is Schaarbeek een eersterangsgemeente geworden die binnenkort honderdduizend inwoners zal tellen. Het vroegere tuinbouwersdorp is snel veranderd in een mooie en grote moderne stad."
Volgens diezelfde Bertrand is het oudste document waarin Schaarbeek vermeld wordt een akte uit 1120, waarin Burchard, de bisschop van Kamerijk, het patronaat van de kerken van Schaarbeek en Evere aan het kapittel Zinnik toewijst.
Scarenbeka, het toekomstige Scharenbeke, werd doorkruist door beken. De kern van de gemeente lag rond de zeer oude Sint-Servaaskerk die we nog kunnen zien op de etsen van A. Boëns en de tekeningen van A. Drury en Max Gelissen. Ze bevond zich waar vandaag de Louis Bertrandlaan loopt, precies daar waar nu de grote bronzen vaas van Godefroid Devreese prijkt.
"In die vervlogen tijden verliet de reiziger vanuit Brussel de stadsomwalling door de massieve Leuvense
Poort en kwam hij in de mooiste vallei van de omgeving van de stad terecht."
"Tussen de groene heuvels volgde de Maalbeek zijn grillige loop door een pittoresk terrein en stortte hij zijn water in heldere meren (het waren er toen 60)." De dichtbegroeide bossen op de oevers, die schaduw en koelte gaven, de mooie weiden en goudkleurige velden en de prachtige wijngaarden schonken dit land zoveel poëtische bekoring dat enkele plebejers er al in de Xe eeuw eigenhandig hun hutten bouwden. Later vestigden adellijke families hun buitenverblijven rond het nederige (nederig zoals de ezel) dorp waar het bestaan rustig en discreet verliep.
"Vandaag zijn de landelijke wijngaarden allang verdwenen, zoals trouwens ook de kristalheldere meren, de vrolijke beekjes en zelfs de riante rivier die nu beroofd is van lucht en vrijheid en een vreselijke riool geworden is."
"Vroeger, toen deze landelijke plekken barstenvol rijkdom en schoonheid zaten, ontstonden daar gehuchten die zouden uitgroeien tot de bloeiende gemeenten Elsene, Etterbeek, Sint-Joost-ten-Node en Schaarbeek. 8"
Schaarbeek werd vaak door epidemieën getroffen, vooral door cholera. Volgens Bertrand maakte de epidemie van september-oktober 1859 veel slachtoffers; er werden 61 doden geteld, vooral in de armoedigste klassen in de arme wijken van het oude Schaarbeek en de ongezonde doodlopende stegen.
Op drie uitzonderingen na trof de cholera arme gezinnen: "De kern van de plaag ligt in de Maalbeekvallei: 1849 en 1859 bewijzen het. Het water van deze beek, vroeger zo helder en weldoend, verspreidt vandaag schadelijke dampen want voor het in onze gemeente komt worden de uitwerpselen van de aquaducten van de Leopoldswijk en Sint-Joost-ten-Node erin geloosd." De brutale en massale verstedelijking gebeurde in ruil voor een ongebreidelde vastgoedspeculatie in het nadeel van de landbouwers en ... de ezels.
De schepen van werken, Van den Putte, werd Du Trou genoemd. Al bijna net zo erg als schieven architek. Alles zou heel snel gaan! In 1882 besloot de gemeenteraad het gemeentehuis in het volle veld neer te planten, in de as van de Koninklijke Sinte-Mariastraat. Deze locatie in het open veld kwam er pas na heftig protest van de gemeenteraadsleden. "Een stadhuis in het volle veld bouwen, is je reinste waanzin," zeiden de raadsleden.
Ezelsdorp (1.158 inwoners en 982 ezels in 1786), gemeente-voorstad van Brussel (1868), Montmartre van Brussel en artiestenwijk (1896), groot Schaarbeek (1904): stuk voor stuk labels en fasen die de geschiedenis van de gemeente aangeven. Het ancien régime lag achter ons, de eerste golf (Alvin Toffler) was voltooid, de industriële revolutie was er. De tweede golf begon. De tijd versnelde, de afstanden werden korter, het bevolkingsaantal explodeerde. Zien bouwen deed bouwen. Waar moest gebouwd worden? In Schaarbeek! "Schaarbeek is de gunstigste gemeente van de agglomeratie." Door het slopen van de huizen van de Smidsstraat en -weg en die van de Keienberg, "verdwijnt het laatste overblijfsel van Schaarbeek," schreef La Gazette van 13 juli 1907. Het grote, nieuwe Schaarbeek rees uit de grond
Poort en kwam hij in de mooiste vallei van de omgeving van de stad terecht."
"Tussen de groene heuvels volgde de Maalbeek zijn grillige loop door een pittoresk terrein en stortte hij zijn water in heldere meren (het waren er toen 60)." De dichtbegroeide bossen op de oevers, die schaduw en koelte gaven, de mooie weiden en goudkleurige velden en de prachtige wijngaarden schonken dit land zoveel poëtische bekoring dat enkele plebejers er al in de Xe eeuw eigenhandig hun hutten bouwden. Later vestigden adellijke families hun buitenverblijven rond het nederige (nederig zoals de ezel) dorp waar het bestaan rustig en discreet verliep.
"Vandaag zijn de landelijke wijngaarden allang verdwenen, zoals trouwens ook de kristalheldere meren, de vrolijke beekjes en zelfs de riante rivier die nu beroofd is van lucht en vrijheid en een vreselijke riool geworden is."
"Vroeger, toen deze landelijke plekken barstenvol rijkdom en schoonheid zaten, ontstonden daar gehuchten die zouden uitgroeien tot de bloeiende gemeenten Elsene, Etterbeek, Sint-Joost-ten-Node en Schaarbeek. 8"
Schaarbeek werd vaak door epidemieën getroffen, vooral door cholera. Volgens Bertrand maakte de epidemie van september-oktober 1859 veel slachtoffers; er werden 61 doden geteld, vooral in de armoedigste klassen in de arme wijken van het oude Schaarbeek en de ongezonde doodlopende stegen.
Op drie uitzonderingen na trof de cholera arme gezinnen: "De kern van de plaag ligt in de Maalbeekvallei: 1849 en 1859 bewijzen het. Het water van deze beek, vroeger zo helder en weldoend, verspreidt vandaag schadelijke dampen want voor het in onze gemeente komt worden de uitwerpselen van de aquaducten van de Leopoldswijk en Sint-Joost-ten-Node erin geloosd." De brutale en massale verstedelijking gebeurde in ruil voor een ongebreidelde vastgoedspeculatie in het nadeel van de landbouwers en ... de ezels.
De schepen van werken, Van den Putte, werd Du Trou genoemd. Al bijna net zo erg als schieven architek. Alles zou heel snel gaan! In 1882 besloot de gemeenteraad het gemeentehuis in het volle veld neer te planten, in de as van de Koninklijke Sinte-Mariastraat. Deze locatie in het open veld kwam er pas na heftig protest van de gemeenteraadsleden. "Een stadhuis in het volle veld bouwen, is je reinste waanzin," zeiden de raadsleden.
Ezelsdorp (1.158 inwoners en 982 ezels in 1786), gemeente-voorstad van Brussel (1868), Montmartre van Brussel en artiestenwijk (1896), groot Schaarbeek (1904): stuk voor stuk labels en fasen die de geschiedenis van de gemeente aangeven. Het ancien régime lag achter ons, de eerste golf (Alvin Toffler) was voltooid, de industriële revolutie was er. De tweede golf begon. De tijd versnelde, de afstanden werden korter, het bevolkingsaantal explodeerde. Zien bouwen deed bouwen. Waar moest gebouwd worden? In Schaarbeek! "Schaarbeek is de gunstigste gemeente van de agglomeratie." Door het slopen van de huizen van de Smidsstraat en -weg en die van de Keienberg, "verdwijnt het laatste overblijfsel van Schaarbeek," schreef La Gazette van 13 juli 1907. Het grote, nieuwe Schaarbeek rees uit de grond op en was niet gemaakt voor landbouwers of ezels.
"De ezels van Schaarbeek," zo schreef een journalist van La Dernière Heure, "die destijds zeer in trek waren op de kermissen maar die stilaan verdwijnen, zullen teruggedrongen worden naar de voorstad, en de zware kersenbomen uit het oude dorp, die vruchten gaven met stevig en knapperig vlees, zullen opnieuw bloeien in mooie velden en zonnige boomgaarden die zich eindeloos uitstrekken buiten de gemeentegrenzen."
De vroegere burgemeester Kennis schetste in november 1904 een zekere art de vivre: "In die tijd kwamen er intelligente mensen in onze gemeente wonen. Ze huurden er een huisje met een verdieping, een deur en twee vensters. Ze moesten niet veel geld uitgeven om tuinen, parken, veranda's en zo aan te leggen! Op zondag gingen ze rustig met vrouw en kinderen rond de kersenbomen wandelen. Maar wat moeten we nu doen?Naar het Josaphatpark gaan zeker."
Op 31 januari 1892 verscheen voor het eerst Le Baudet (het ezeltje), een humoristische en opzienbarende krant. Op 7 februari 1892 begroette La Gazette zijn nieuwe collega op een grappige manier: "Een paar jaar geleden zocht een industrieel van de gemeente via een advertentie een gouvernante en een ezel (baudet) voor zijn kinderen. De gouvernantes daagden massaal op vanaf de eerste dag. Er kwam geen enkele ezel.[...] Waar waren die dieren toch heen, die samen met de ook al onvindbaar geworden kersen Schaarbeek zo beroemd maakten?" Onze Baudet had een zwak gestel. Ook hij was het jaar nadien verdwenen.

De ezel vandaag in Schaarbeek
Vandaag zijn er maar twee of misschien drie ezels meer in Schaarbeek. De eerste, Siska, verblijft in het Josaphatpark en was een geschenk van de Dienst van Toerisme; de tweede, een oude hengst, houdt haar gezelschap in de box ernaast waar hij geniet van een welverdiende rust na een lange carrière in de lavendel. De derde behoort toe aan een voorname afgevaardigde van de vereniging A dos d'âne, die hem af en toe een beleefdheidsbezoekje brengt.
De grote ezelbijeenkomst waarvan burgemeester Francis Duriau en enkele Schaarbekenaren gedroomd hadden, heeft in het begin van het najaar plaats in het Josaphatpark in Schaarbeek. Voor sommigen is dit initiatief de expressie van een willoze nostalgie. Anderen zien er net een nieuw teken van de terugkeer van de ezel in, begroet door Rosenzweig in zijn opzienbarend artikel in Le Monde. De ezel is het koppelteken tussen de generaties, tussen het verleden en het heden, tussen de rasechte Schaarbeekse bevolkingsgroepen en die uit Italië, Griekenland, de Maghreb, Turkije en alle Middellandse Zeelanden met inbegrip van Frankrijk, waar hij een opmerkelijke comeback kent. Voor iedereen is de ezel de referentie.
In de Turkse kruidenierswinkels zijn er afbeeldingen van een ezel met op zijn rug een molenaar die achterstevoren zit. "Wie naar Mekka gaat met zijn ezel, komt met een ezel terug," zegt een Arabisch spreekwoord dat in de straten van Schaarbeek weerklinkt.
MARC GUIOT PAUL SIMONETTI
Tekst en afbeeldingen uit het werk "L'âne dans tous ses états" (De ezel in al zijn staten) - Gemeentehuis Schaarbeek
Praktische info
- Verantwoordelijke gemeentedienst
- Verantwoordelijk verkozene
Lees ook
- Op de gemeentesite
- Publicaties

