U bent hier : Onthaal » Ontspannen in Schaarbeek » Patrimonium en toerisme » Geschiedenis van de gemeente

Geschiedenis van de gemeente

oude Mozaïek van gemeente Schaarbeek

Schaarbeek (schrijfwijze in 1120 Scarenbecca, in 1138 Scarenbeke, in 1286 Scharenbeke, in 1702 Scharebeek en uiteindelijk in 1841 Schaerbeek) haalt zijn etymologie volgens bepaalde historici uit de samenvoeging van het Frankische woord SCHAER ("insnijding") en het woord BEEK. Letterlijk zou de naam Schaarbeek dus "de beek met de steile oevers" betekenen.

Sommige objecten die toevallig ontdekt werden bij grondwerken in de 19e en de 20e eeuw, zouden erop wijzen dat Schaarbeek reeds bewoond was in het Neolithicum, en nadien - in de tijd van de Nerviërs - bezet werd door de Romeinen.

Zo stootte men in 1861 bij de uitbreiding van de Haachtsesteenweg (in de tuin van het huidige lyceum Émile Max) op enkele Gallo-Romeinse grafzerken. Er werden urnen gevonden met daarin bronzen medailles die dateerden uit het jaar 117 (bewind van keizer Hadrianus), alsook enkele vazen en aardewerk.

Twee jaar later, bij de funderingswerken voor de Koninklijke Sint-Mariakerk in het gehucht Zavelberg, werden gewelven ontdekt die het duidelijkste bewijs waren dat hier ooit een Romeins verdedigingswerk had gestaan. En in 1908 ten slotte werden in het Josaphatdal, in het gehucht Kattepoel, wapens en werktuigen in vuursteen ontdekt die dateerden uit het Neolithicum.

Schaarbeek bevond zich bovendien aan het kruispunt van twee Romeinse secundaire wegen op de route Keulen-Tongeren-Noordzee (Boulogne). Een van deze wegen liep van Asse, waar een belangrijk Romeins bevoorradingskamp voor het leger gevestigd was, via Brussel naar Elewijt, een ander groot Romeins centrum, en vervolgens naar Leuven en Tongeren. Het traject van deze weg volgde, op het grondgebied van Schaarbeek, de Poststraat en de Helmetsesteenweg. De andere weg liep van het Franse Bavay naar Elewijt, via Maubeuge, Ecaussines, Tubize, Ukkel, Brussel, Schaarbeek, Machelen en Vilvoorde. Op het grondgebied van Schaarbeek volgde deze weg het traject van de Haachtsesteenweg.

De naam van de gemeente wordt voor het eerst vermeld in een akte uit 1120 waarin bisschop BURCHARD van Cambrai het beheer en een deel van de inkomsten van de kerken van Scarenbecca en Everna (Evere) toewees aan het kapittel van Zinnik.

Het grondgebied behoorde aldus toe aan de Hertogen van Brabant. Een van deze hertogen was sire EVERWIN, bijgenaamd van SCARENBEKE, die in het begin van de 12e eeuw in een versterkte woning verbleef aan de rand van de Maalbeek, ter hoogte van het Houffalizeplein, tegenover het Neptunium. Deze woning, die ook wel Château la Motte (Motte- of Heuvelkasteel) genoemd werd omdat ze op een hoogte omringd door water was opgetrokken, werd in de loop der eeuwen omgevormd en bestond nog steeds in de 17e eeuw. Wanneer dit bouwwerk precies werd afgebroken, is niet bekend.

In de Middeleeuwen voegde hertog Jan II van Brabant Schaarbeek toe aan de Kuype van Brussel en onderwierp zijn grondgebied in 1301 aan de bevoegdheid van de schepenen van Brussel.

In de 14e eeuw hadden de heren van Crainhem bezittingen in Schaarbeek, gelegen tussen de Haachtsesteenweg en de Leopold III-laan. De helft van deze goederen werd in 1389 overgedragen aan Henri, Heer van Heverlee, die dit deel in 1390 doorverkocht aan Jan Van den Spieghel, ook wel de Speculo genoemd. Deze laatste trok er een buitenhuis op en verkreeg van hertogin Johanna van Brabant het recht om op de naburige terreinen die hij verworven had van Sweder van Zuylen d'Abcoude, Heer van Gaasbeek, een zgn. wildbaan aan te leggen voor de privé-jacht. Het eigendom waar men het wild voor de jacht kweekte, behield lange tijd de naam Warande. Daarna ging het goed door het huwelijk van Margaretha de Speculo (dochter van de voornoemde) naar de Ridders van Ophem, en vervolgens naar de la Tour die het in 1647 opeisten van de Boisschot, baronnen van Zaventem. Deze laatsten hebben het tot het eind van de 18e eeuw behouden.

Ook Filips de Goede en zijn zoon Karel, beiden hertogen van Bourgondie, bezaten in 1425 gronden op het grondgebied van Schaarbeek - tussen de Trooststraat en de Leuvensesteenweg (Wijngaerdberg). Iets verderop, op de plaats Twee Linden (Deux Tilleuls), aan het kruispunt van de Notelaarsstraat met de Keizer Karelstraat, werden in die tijd de prinsen ontvangen die een bezoek brachten aan hun goede stede Brussel, tweede hoofdplaats van het hertogdom. Zij moesten er trouw zweren aan de privileges van het kapittel van Sint-Goedele, waarvan zij het grondgebied gingen betreden.

Vanaf de 15e eeuw wordt de eerste jaarmarkt van Schaarbeek de "jaarmarkt van Diegem" genoemd, omdat deze jaarmarkt samenviel met de bedevaart naar de Heilige Cornelius van Diegem. Deze jaarmarkt werd gehouden langs de wegen die leidden naar de H.-Corneliuskerk leidden.

Van de 11e tot aan het eind van de 18e eeuw is Schaarbeek helemaal landelijk. Het is een bescheiden dorp rond de oude Sint-Servaaskerk, oorspronkelijk gelegen in het midden van de huidige Louis Bertrandlaan, ter hoogte van de "monumentale vaas" (dit werk, De Bacchanten genoemd, werd gebeeldhouwd door Godfried Devreese en geschonken aan het gemeentebestuur door Raoul Warocqué in 1911).

De oude Sint-Servaaskerk, die opgetrokken werd in 1300 op de plaats waar een kapel stond uit het begin van de 12e eeuw, had in de 16e eeuw te lijden onder de wandaden van de beeldenstormers. Ze werd diverse malen gerestaureerd (o.a. in 1637 en 1773) en uitgebreid in 1842, waarna ze in 1879 buiten gebruik wordt gesteld (bij de inwijding van de nieuwe Sint-Servaaskerk, gebouwd op de hoek van de Louis Bertrandlaan en de Haachtsesteenweg). In 1891 wordt ze dan omgevormd tot een tekenacademie en gymnasium, om in 1905 uiteindelijk te worden afgebroken. De twee Sint-Servaaskerken hebben dus gedurende meer dan een kwarteeuw naast elkaar bestaan.

In 1540 publiceert Jacques van Deventer een plan waarop Schaarbeek voor het eerst voorkomt. De stad telt dan 112 huizen en 600 inwoners.
In die tijd wordt een deel van het grondgebied van Schaarbeek ingenomen door moestuintjes die uitstekend opbrengen, met uitzondering van de zo goed als onbewerkte velden die Schaarbeek scheiden van het centrum van Sint-Joost en die men de Zavelberg noemde, omdat de bodem er erg zanderig was. Een ander gedeelte werd ingenomen door wijngaarden.

In het zuidoosten lag het plateau van Linthout met daarop een bos (oorspronkelijk een deel van het Zoniënbos) dat zich via het bos van Woluwe uitstrekte tot in Sint-Lambrechts-Woluwe en via het bos van Melsdal tot in Oudergem. Aan de rand van het bos liep twee eeuwen geleden de Leuvensesteenweg.
Dit bos werd in 1833 volledig gerooid en een jaar later omgevormd tot een exercitieveld. In de 20e eeuw is het uiteindelijk omgebouwd tot een woonwijk. Interessant om weten hierbij, is dat de zandsteen en de bouwstenen die vroeger op dit plateau werden gewonnen, o.a. gebruikt zijn bij de bouw van de kapittelkerk van Sint-Michiel.

Destijds was Schaarbeek niet alleen de moestuin van Brussel, de inwoners gebruikten ook ezels als trek- of lastdier. De streek was al sinds de tijd van de kruistochten vermaard omwille van zijn ezelfokkerijen; men noemde Schaarbeek trouwens het land van de ezels: in 1786 telde men er niet minder dan 1158! Elke ochtend verliet een karavaan zwaarbeladen kleine ezels Schaarbeek op weg naar de markt van Brussel. Daarbij volgden zij een weg die de Ezelsweg gedoopt werd - de huidige Josaphatstraat. Bij het zien van deze karavaan trekkend door de straten van Brussel, riepen de boodschappende vrouwen steevast: "Daar zijn de ezels van Schaarbeek!"
Op die manier werden de ezeldrijvers en hun dieren met elkaar verward en kregen de autochtonen al snel de bijnaam "ezels", wat hen echter geenszins kwetste, wel integendeel. En ook vandaag zijn zij blijkbaar nog steeds heel trots op die benaming. Jarenlang vond in Schaarbeek trouwens een ezelskermis plaats, waarbij ezelskoersen werden gehouden. Deze kermis werd afgeschaft in 1830, omdat ze al te vaak eindigde in heuse knokpartijen.

Tot in het midden van de 16e eeuw zou Schaarbeek dan een periode van rust kennen. Een vredige periode waaraan bruusk een einde kwam door de Reformatiestrijd. Vervolgens zou het dorp meermaals de doorgang van militaire troepen te verduren krijgen, inlegeringen, strooptochten, vorderingen en baldadigheden. Daarnaast werd het herhaaldelijk verwoest of geplunderd, o.a. door de huurlingen van de prins van Oranje in de strijd tegen de hertog van Alva in 1572 en 1573, door muitende Spaanse soldaten in 1576 en 1584, door Franse soldaten in 1583, 1635 en 1673, door de geallieerde troepen na de slag bij Fleurus in 1690, door Engelse soldaten van de hertog van Marlborough in 1706, door Beierse soldaten in 1708, en vervolgens opnieuw door Franse troepen in 1746 en 1794.

In 1795, onder het Franse bewind, werd de Cuve de Bruxelles, de Kuype van Brussel, die nog dateerde uit 1301, door een besluit van het Comité de Salut Public afgeschaft, waarna Schaarbeek een onafhankelijke gemeente werd. De gemeente werd toegevoegd aan het gerechtelijk kanton van Sint-Stevens-Woluwe en samengevoegd met het gehucht Helmet. Eind 1799 werd het administratieve bestaan van de gemeente officieel erkend door de benoeming van een burgemeester (dhr. Goossens), een adjunct (schepen) en een gemeenteraad. Het principe van de gemeentelijke autonomie wordt echter pas definitief toegepast na de revolutie van 1830. Tijdens de dagen van deze revolutie, en meer bepaald op 27 september, was het Josaphatdal het toneel van hevige schermutselingen tussen de Belgische revolutionairen en de Nederlandse achterhoede, die zich terugtrok naar Diegem.

Bij de algemene volkstelling van 1846 heeft Schaarbeek een grondgebied van 884 ha, waarvan 694 bewerkt wordt; de grenzen zijn door de eeuwen heen echter grotendeels onveranderd gebleven (de Zenne was lange tijd de natuurlijke grens in het Westen). In 1853 wordt de gemeentelijke oppervlakte met 8 ha verkleind ten voordele van de Stad Brussel voor de aanleg van de Leopoldwijk. In 1896 wordt de gemeente in het westen dan weer uitgebreid tot aan het kanaal van Willebroek, terwijl ze in 1921 op diezelfde plaats opnieuw verkleind wordt door de overdracht van de kanaalstrook aan de Stad Brussel. De gemeenteoppervlakte werd achteraf niet meer gewijzigd en bedraagt momenteel 798 ha.

In 1810 vindt men tussen het centrum van Schaarbeek (dat behouden bleef rond de oude Sint-Servaaskerk) en Sint-Joost-ten-Node nog een landelijke streek waar nog enkele zeldzame tuiniershuizen verdoken liggen. Niets deed toen vermoeden hoe belangrijk de gemeente een eeuw later zou worden.

Bij het begin van de 19e eeuw deden zich drie belangrijke feiten voor die de ontwikkeling van de gemeente sterk bevorderd hebben:

  1. De afbraak van de wallen rond Brussel aan de kant van de Kruidtuinlaan tussen 1819 en 1820, waardoor de gemeente als het ware rechtstreeks verbonden werd met het centrum van de Stad Brussel via een perceel van het grondgebied van Sint-Joost-ten-Node. In 1828 wordt de Brusselse Koningsstraat verlengd tot op het grondgebied van Sint-Joost en Schaarbeek, vanaf de Kruidtuinlaan tot aan het Koninginneplein. Precies aan die kant en in het centrum zal Schaarbeek gaan uitbreiden.
  2. De aanleg in 1835 van de eerste spoorlijn Brussel-Mechelen met vertrek in de Groendreef. De bouw van het eerste Noordstation (op het Rogierplein) van 1841 tot 1846 en vervolgens de verlenging van de spoorweg tot in Antwerpen zullen grotendeels bijdragen tot de wegenaanleg in het benedengedeelte van Schaarbeek. In eerste instantie zijn het vooral de particulieren die straten creëren door er gronden te koop aan te bieden. Maar vanaf 1865 neemt de gemeente de touwtjes in handen. Het is echter pas in 1899 dat de gemeente uiteindelijk een totaalplan opstelt voor de omvorming van de landelijke delen in nieuwe wijken tot een nieuw stedelijk geheel.
  3. de bescheiden prijs van de bouwgronden

De distributie van gas, zuiver water en elektriciteit, alsook de aanleg van tramlijnen en buurtspoorwegen zijn allemaal elementen die eveneens de ontwikkeling en de verstedelijking van de gemeente vergemakkelijkt hebben.

Foto's van het Josaphatdal 

Vanaf 1846 wordt stadsgas verdeeld voor de openbare verlichting door de firma SEMET et Cie, waarvan de fabriek zich in de Marktstraat te Sint-Joost-ten-Node bevond. Enkele jaren later start de Stad Brussel met de distributie van stadswater; deze distributie vertrouwt ze in 1899 toe aan de Sources du Buc via de Brusselse Intercommunale Watermaatschappij die opgericht werd in 1891. Het putwater dat de inwoners gebruikten (net als het onzuivere water van de Maalbeek) was stilaan ondrinkbaar geworden en vormde een bron van epidemieën, die geregeld heel wat slachtoffers maakten, vooral dan in de arme wijken in de buurt van de Maalbeek. Deze Maalbeek werd uiteindelijk overwelfd tussen 1856 en 1865.
De eerste tramlijn van Schaarbeek werd plechtig in gebruik genomen in 1871. De tram werd door paarden getrokken en verbond het Rogierplein (Noordstation) met de kerk van Laken via de Vooruitgangstraat. Later is de tramlijndienst in heel de gemeente aanzienlijk uitgebreid. Aan deze paardentrams werden later ook 3 buurttrams op stoom toegevoegd. Van 1910 tot 1912 werden alle lijnen voorzien van elektrische installaties, met uitzondering van de buurttram op stoom van Haacht.

De elektriciteitsvoorziening start op haar beurt in 1907 met de verlichting van het Koninginneplein, het Colignonplein en het Liedtsplein.

Schaarbeek, ooit een bescheiden oord van groentetelers, is in de 20e eeuw een uitgestrekte moderne stad geworden. De bevolking steeg van 600 inwoners in 1526 naar 1.131 in 1800, en vervolgens van 8.630 in 1850 naar 64.000 in 1900. Dit aantal steeg ooit zelfs tot 120.000 inwoners, maar is vandaag de dag opnieuw gedaald naar 105.000.

Laatste wijziging: 17/12/2014

Naar boven

Lees ook